SARO ontving op 19 juli 2023 een adviesvraag van minister Zuhal Demir inzake het ontwerpdecreet tot wijziging van de regelgeving betreffende de omgevingsvergunning wat betreft de invoering van een modulaire omgevingsvergunningsprocedure en het omgevingsbesluit (hierna: ontwerpdecreet).
De raad maakte de keuze om twee adviezen uit te brengen over het ontwerpdecreet met focus op respectievelijk de invoering van een modulaire omgevingsvergunningsprocedure en het omgevingsbesluit.
SARO formuleert volgende strategische bemerkingen bij het ontwerpdecreet tot wijziging van de regelgeving betreffende de omgevingsvergunning wat betreft de invoering van een modulaire omgevingsvergunningsprocedure:
De raad merkt allereerst op dat nog heel wat elementen van het ontwerpdecreet verder invulling behoeven. Het ontwerpdecreet formuleert voor diverse bepalingen een delegatiebevoegdheid naar de Vlaamse Regering. Voorgaande impliceert dat het momenteel niet mogelijk is om zicht te krijgen op de totaliteit van de beoogde nieuwe regelgeving. Ook de effectieve impact van het ontwerpdecreet is onduidelijk. De latere uitvoeringsbesluiten zullen meer duidelijkheid moeten brengen. De raad vindt dit geen goede zaak. Een minimale vereiste is alvast dat de toekomstige uitvoeringsbesluiten voor advies worden voorgelegd aan de strategische adviesraden.
De raad wijst er bovendien op dat het ontwerpdecreet pas in werking kan treden indien ook de noodzakelijke uitvoeringsbesluiten zijn uitgewerkt en goedgekeurd. Gelet op de talrijke uitvoeringsbesluiten die nog moeten genomen worden door de Vlaamse Regering om het ontwerpdecreet operationeel te maken, is de datum van inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving nog zeer onduidelijk. Dit geldt te meer gezien het nakende einde van de huidige legislatuur, waardoor het wellicht niet mogelijk zal zijn om de vereiste uitvoeringsbesluiten nog voor de regionale verkiezingen van juni 2024 definitief vast te stellen.
De raad acht een gedegen afstemming tussen voorliggend ontwerpdecreet en het ontwerpdecreet over de modernisering van de milieueffectrapportage noodzakelijk. Zowel op legislatief vlak maar ook op het niveau van de doelstellingen achter beide ontwerpdecreten.
De raad kan de keuze voor één reguliere basisprocedure principieel ondersteunen. De raad erkent de meerwaarde van een modulaire vergunningsprocedure, m.n. de mogelijkheid om de procedure af te stemmen op maat van de inhoud en de aard van de aanvraag, een aanvraag bij te sturen in functie van de adviesverlening of inspraak tijdens de vergunningsprocedure, en procedurele obstakels te remediëren. De raad kan de keuze voor een modulaire vergunningsprocedure vanuit die optiek principieel ondersteunen.
De raad staat positief tegenover de mogelijkheid om in de loop van de procedure wijzigingen aan te brengen of fouten in de procedure te herstellen in functie van een flexibele en evolutieve vergunningsprocedure, maar meent dat de voorliggende voorstellen op bepaalde punten te ruim zijn. Zo staat de raad kritisch tegenover de zeer uitgebreide toepassingsmogelijkheden van de modules ‘wijzigingslus’ en ‘administratieve lus’ in het ontwerpdecreet. De raad wijst op de mogelijke impact op de beoogde transparantie van de procedure, de administratieve beroepsmogelijkheden, de doorlooptijden en de bijkomende werklast voor bevoegde overheden. De raad adviseert om de garanties voor het betrokken publiek maximaal te vrijwaren bij het toepassen van de uitgebreide toepassingsmogelijkheden van de modules ‘wijzigingslus’ en ‘administratieve lus’.
Het ontwerpdecreet voorziet in een delegatie(mogelijkheid) voor de bevoegde overheid om te bepalen in welke gevallen de betrokken omgevingsambtenaar over een aanvraag kan oordelen en beslissen. De raad acht het aangewezen om deze beslissingsbevoegdheid maximaal op het politieke niveau te behouden en slechts in zeer uitzonderlijke gevallen te delegeren naar het ambtelijke niveau. Aangezien de Memorie van toelichting nauwelijks uitleg verschaft over deze regeling, is het onduidelijk hoe verregaand de decreetgever deze regeling ziet en wat de impact ervan zal zijn.
De raad vraagt dat er omzichtig wordt omgesprongen met het beperken van de administratieve beroepsmogelijkheden. De raad benadrukt het nut van de administratieve beroepsprocedure inzake de omgevingsvergunning en verwijst naar de conclusies van de uitgevoerde evaluatie van het OVD, waaruit blijkt dat het administratief beroep een waardevolle procedurestap is waarvan zowel aanvragers als overheden het belang bevestigen.
De raad vindt het positief dat het ontwerpdecreet bepaalt dat de bevoegde overheid, de omgevingsambtenaar of de persoon die door hem gemachtigd is, er in de fase van het volledig- en ontvankelijkheidsonderzoek toe gehouden is om de aanvrager te vragen ontbrekende verplichte gegevens of documenten aan de aanvraag toe te voegen.
Het ontwerpdecreet voorziet in de mogelijkheid tot bijstelling van een nog niet (volledig) uitgevoerde omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. De raad vraagt aandacht voor de haalbaarheid van deze regeling. De raad benadrukt dat het onderzoek en de beoordeling van een project steeds in zijn totaliteit dient te gebeuren en rekening houdend met de milieu- en ruimtelijke gevolgen.
De raad wenst het belang te benadrukken van een goede werking van het publieke omgevingsloket en de dossierbehandelingssystemen waarbij aanvragers, belanghebbende burgers, verenigingen en overheden op gebruiksvriendelijke wijze de actuele stand van een dossier kunnen raadplegen.